ThuisHandelHistorieUit de FrisoContact en toevoegingenFoto's WorkumVerhalenGeschiedenis
Gereformeerde kerk
Toer de Dolte
Joodse begraafplaats
Huismerken Gertrudis kerk
Winkelweek 1921 Greate Pier
Het Stadhuis
Stedeke Workum
1000-jarg bestaan
Scholen door de jaren heen
Het Weeshuis

 


Een stuk geschiedenis van het Workumer Weeshuis.

foto 1800

                  Gasthuis uit 1664


Pas vanaf 1630 worden er zogenaamde weesboeken bijgehouden. De wezen wonen dan in het Gasthuis.

Het gasthuis was een plek waar mensen voor zichzelf of een familielid een plek om tewonen konden kopen.
Zieke en oude mensen werden in een gasthuis verzorgd.

Vanaf 1674 wordt het gasthuis ‘het Weeshuys’ genoemd.

De stoot tot de oprichting van het Workumer weeshuis werd gegeven door het einde van de tachtigjarige Oorlog tegen de Spanjaarden. De vrede van Münster (1648) maakte, dat het fonds (de Sociëteit), waaruit het onderhoud van de door de Duinkerkers of Biscaijers gevangen genomen Workumers werd bekostigd, overbodig werd geacht. Op 10 januari 1649 al bepaalden de voorvaderen van Workum, dat de middelen van het fonds zouden worden overgeheveld naar het tehuis dat „tot troost van ouder- en moederloze weeskens" zou strekken.

 

We danken deze gegevens aan een raadscommissie, die in 1866 opdracht kreeg advies uit te brengen over een subsidieverzoek van de weeshuisvoogden. De commissie ploos de geschiedenis van het weeshuis grondig na, maar kon niet ontdekken, hoe groot het fonds van 1649 was. Opzet van het onderzoek was na te gaan of het weeshuis nu wel of niet een stichting van de stad was. Daarover was namelijk geen duidelijkheid meer, doordat in 1833 de voogden een leugentje om best hadden gelanceerd en verklaarden, dat het  weeshuis niets met gemeente te maken had. 

Maar dat dit een leugentje was, wist men dertig jaar later niet meer....

In 1833 namelijk bepaalde de rijksoverheid, dat kinderen uit noodlijdende weeshuizen in de gestichten van de Maatschappij tot Weldadigheid moesten worden opgenomen. De Workumer weeshuisvoogden voelden er niks voor en zeiden — om er ,onderuit" te komen — dat zij krachtens de statuten de kinderen niet buiten de stad mochten zenden en dat zij geen bijdrage uit de gemeentelijke kas ontvingen (wat immers als bewijs van noodlijdendheid kon worden uitgelegd). Ze kregen wel een subsidie, maar die werd in overleg van toen af ingehouden, wat het huis en zijn jeugdige inwoners zeker niet tot voordeel heeft gestrekt. In  1865 richtten de weeshuis- voogden zich weer tot de raad.
,,Uit overweging dat de ontvangsten de uitgaven van het weeshuis op verre na niet kunnen bestrijden en ter bevordering van meerdere regel in hunne administratie hebben de weesvoogden besloten een staat van inkomsten en uitgaven te maken en de raad ter goedkeuring aan te bieden", zo staat in de notulen. Logisch dat ze dat deden, want op de begroting was een
gemeentelijk subsidie geraamd van f 2400. Daarmee zou het tekort. over 1866 met de tekorten van voorgaande jaren — f 1690 — kunnen, worden weggewerkt.

Dit verzoek heeft dus een commissie uit de raad aan het week gezet. Deze rapporteerde, dat in het weeshuisarchief bijna niet anders is gevonden dan rekeningen van ontvangsten en uitgaven. Het oudste stuk was een rekening uit 1642. dat betrekking had op het proveniershuis. Het weeshuis is namelijk voortgekomen uit het proveniershuis (bejaardentehuis), zoals uit het reglement van 1655 blijkt. Daarin werd bepaald, dat het proveniershuis weeshuis zou worden, maar dat proveniers, die nog in het huis waren, er tot hun dood in zouden mogen blijven. Die overgang van tehuis voor bejaarden naar een inrichting voor weeskinderen heeft tussen 1649 en 1690 plaats gehad. De commissie vond namelijk voor laatstgenoemd jaar, dat , het thans bestaande weeshuis was aangesteld door het stedelijk bestuur". Het bleek de commissie verder, dat de wezen — er was plaats voor veertig — Workumers moesten zijn en dat zij de leeftijd van zes jaar moesten hebben bereikt vanwege het zelf aan- en uitkleden. Verder was bepaald, dat de kinderen geestelijk noch lichamelijk iets mocht mankeren.

De gemeente heeft de in 1865 gevraagde hulp niet geweigerd. Er is toen geducht orde op zaken gesteld en zo kon het gebouw vrij spoedig daarna worden opgeknapt en vernieuwd. Zóveel werd er vernieuwd, dat men kon zeggen dat het pand — Noard 44 — van 1868 dateert. Het is als weeshuis nog gebruikt tot in de eerste wereldoorlog.

 Langzaam verandert er iets in ons land. Steeds meer mensen krijgen schoon drinkwater,de huizen worden beter en er worden nieuwe medicijnen ontdekt. Ook gaan mensen gezonder eten (heel lang is gedacht dat fruit en rauwe groente erg ongezond waren).

De leefomstandigheden verbeteren en er gaan minder mensen dood. In 1901 zijn er nog tien wezen.

 

HET WEESHUIS

Uit de Friso's van 1968

Door Watze Tjebbes Beetstra

 

Deze stukken werden door Beetstra in het Fries geschreven. (Vertaling: Henk Gorter)

Op een dag kreeg ik van iemand te horen: , Hoe staat het met uw stukjes van Warkums Erfskip’?

´Ik had al weer eens wat verwacht´. Nu is het zo dat men stof moet hebben en bovendien ook tijd, zowel om stof te vergaren als om er over te schrijven. Aan beide heeft het mij de laatste tijd ontbroken. Men heeft immers ook nog wel wat anders te doen. Dat ik op dit moment niets heb voor deze rubriek is niet waar.

 

Het is bijna al weer 3 jaar geleden dat ik naar aanleiding van een aantal artikelen onder het opschrift: , Uit de geschiedenis van het Weeshuis’een brief kreeg van een oud- Workumer. Hij schreef mij daarin dat hij als weesjongen in het Workumer weeshuis had gewoond. Hij ging in zijn brief wat dieper in op de wijze van straffen in deze inrichting

Op mijn vraag of hij ook wat kon vertellen over het leven in het weeshuis zoals hij dat meegemmakt had, kreeg ik een verhaal toegestuurd waarmee ik zeer in mijn nopjes was. Ik neem aan dat er genoeg lezers van de Friso zijn die belangstelling hebben voor dit stukje geschiedenis van een instelling die zo’n belangrijke taak heeft gehad in onze stad. Hierbij geef ik de voornaamste passages uit de brief weer.

 


                               Links weeshuis

Laat ons eerst eens zien hoe de indeling van het weeshuis was.

 Als men door de voordeur het gebouw binnen kwam, stond men in de hal waar een deur aan de rechterkant toegang gaf tot de regentenkamer. Daar tegenover was de reservekamer, die eens gebruikt werd als kantoorruimte van de Nutsspaarbank. De kelder onder deze ruimte deed dienst als bergruimte voor brandstof, soms ook als strafplaats. Achter deze reservekamer was de wasgelegenheid met de bergruimte voor de werkkleding en de klompen. Daar achter was nog een wasgelegenheid voor het gezin en de hele (wees)huishouding. Achter de hal was een verbindingsgang met het (nu afgebroken) achterstuk. Aan de rechterkant van de gang was de toegang naar de bergruimte voor de keuken en de huishouding met daar achter de eigenlijke keuken. Achter de wasruimte aan de linkerkant van de gang had men nog een binnenplaats met de ´húskes` (toilet met ton).
   

             ''it Húske''

                                 Achterzijde weeshuis

 Het afgebroken achterste stuk bestond links uit de jongenszaal met boven de slaapzaal voor de jongens. Helemaal rechts was dan de meisjeszaal en boven de slaapzaal voor de meisjes.

 In het midden van de jongens - en meisjeszaal was de woonkamer voor de weesvader en – moeder (zij werden met `vader`en `moeder` aangesproken). Voor deze kamer  was dan nog een portaal met een trap die toegang gaf tot de slaapzaal. Het was vanzelf een hele verandering en belevenis voor een kind als het uit een knus en beschermd milieu, vaak een klein woninkje, ineens in een groot gebouw kwam waar het geheel anders aan toeging dan het gewend was. Zo´n nieuw weeskind werd op de binnenplaats, rechts van het weeshuis ontvangen. Daar stond een grote badkuip voor hem klaar en kreeg hij de eerste wasbeurt door hem flink in het water te dompelen en met groene zeep danig schoon te maken. ( het leek wel dat ze dachten dat de kinderen daarvoor zichzelf nooit wasten!) Daarna kreeg hij nieuwe kleren en werd door zijn toeziend voogd en weesvader voorgesteld aan de regenten en opgenomen onder de andere wezen. Zo ging het ook met de oud-Workumer, die mij dit meedeelde, de  heer F.Walthuis, toen hij in 1897 met zijn beide broers en zussen opgenomen werd.

Daarmee kwam het aantal kinderen op 18.


                         Links weeshuis 1908

Daar wachtte de kinderen een heel ander leven. Ze moesten geleidelijk wennen aan de orde en regels die ze thuis gewoonlijk niet gewend waren. Nu was het ineens: ´s morgens vroeg - om 7 uur – uit bed! Het ontbijt bestond uit twee stukjes roggebrood en een stukje bruinbrood belegd met Friese nagelkaas. Men dronk daar melk bij  - met rijkelijk water verdund – uit grote kommen. Vaak was het mede aan dit sobere en evenredige leven te danken dat de meeste weeskinderen zo gezond als een vis waren. Het ontbijt evenals het middag- en avondeten kregen de weeskinderen in de jongenszaal. Ze zaten aan blank geschuurde tafels op dito houten banken zonder leuningen ; op elke bank konden 5 kinderen zitten en ondertussen zag weesvader erg precies op alles toe. Alles was even somber: de muren van de zaal waren witgekalkt, terwijl het onderste stuk tot een hoogte van ± 1.20 meter zwart geverfd was. Het verfwerk had een gore fel rode kleur, de vloer zat helemaal geen verf of bedekking op, terwijl er geel-grijze lancastergordijnen voor de vensters hingen. Al met al een zeer ongezellige ruimte dus.

Nee, gezellig was die zaal van het weeshuis niet. De wezen lieten zich daardoor niet beïnvloeden en vonden

Van alles uit in hun vrije tijd. Er werd aan gymnastiek gedaan (in de ringen), muziek – een enkele jongen was lid van het korps ´Concordia´ - en er werd ook gezongen. Vanzelfsprekend deden zij ook spelletjes. Met name in de winter werd er bij de kolomkachel gedamd en veel gelezen..

Toen er enkele jaren later een nieuwe weesvader kwam, kreeg het blank houten meubilair een dofbruine vloerkleur, dat had tot gevolg dat er heel wat minder onderhoud aan vast zat en dat stond de meisjes, die de meubels van tevoren blank moesten schuren, vanzelf wel aan. Er bleef  evenwel nog genoeg werk voor hun over.

De blanke vloer moest namelijk geboend, geschrobd en gedweild worden. Dat hoorde nu eenmaal tot de opleiding tot dienstmeid of eerzame huisvrouw. want in al dit werk kregen ze vakkundig onderricht van de weesmoeder, die hun ook van alles bijbracht over het koken, wassen, breien en naaien. Het stoppen van kousen, sokken en het wollen ondergoed was aan de orde van de dag. Dat alles vond plaats in de periode dat men nog op school zat. Dat men altijd gaan en staan konden waar men wou was er praktisch niet bij.

Datzelfde gold ook voor de jongens met dit verschil dat zij hun opleiding in een bepaald vak bij een baas of patroon in Workum kregen. Zij moesten zelf kiezen voor welk vak. Bij die vakopleiding kregen de patroons van de regenten of de voogden te horen :” de jongens moeten het vak goed leren, maar de verdienste is niet van belang”. Dat betekende een klein loon en menig baas die daardoor een goedkoop knechtje had gekregen, meende te kunnen volstaan met een soort van fooi, in de geest van, hé jongen dit is voor jou ´. De heer Walthuis had zelf op dit punt goede ervaring. De weesvoogden bedoelden het vanzelf wel goed, maar geheel zonder vooroordeel waren ze niet,  zodat ze hem niet een opleiding – ook zonder dat het weeshuis daar voor hoefde te betalen – als bouwkundig opzichter wilden laten volgen. Het motief was “ zijn vader was een goed vakman ( bedoeld werd: arbeider), als hij dat ook zou worden was dat genoeg”.

Dat was toen de mentaliteit al moet gezegd worden dat het wel mogelijk was naar de ambachtsschool in Sneek te gaan. Afijn, de heer Walthuis heeft het , niettegenstaande dat, goed gedaan.

In de schooljaren moesten de jongens, vooral in de zomer, in hun vrije tijd in de tuin aan het werk, helpen bij het zaaien, het wieden en bij de oogst. Verder moesten ze schoenen poetsen, ook de pantoffels van de meisjes. Voor het middagmaal moesten heel veel aardappelen geschild worden, het hele jaar door, maar alleen de grote jongens die bij een baas werkten, waren er vrij van.

Ja, het middagmaal dat in de jongenszaal werd opgediend, was wel van dusdanige kwaliteit en kwantiteit dat het meer dan goed maakte wat er ´s morgens en ´s avonds op tafel kwam dat aan de schrale kant was. ( soms een bord pap – echte Workumer kost – met een stukje roggebrood met geraspte Friese nagelkaas).

De “ vader” ( hij werd altijd zo aangesproken) zat op een stoel met voor hem een zogenaamde gamel, net als in de militaire dienst en gaf een ieder met een houten pollepel zijn portie. Aardappelen verwerkt tot stamppot en ook andere kost zoals snert, rijst, gort en bonen, alles goed vet, met spek of vlees, dat viel er altijd goed in. Maar eerst sprak één van de jongens of meisjes, elk op zijn beurt, staande een formuliergebed uit en na het eten eveneens een formulierdankgebed. Alles vanzelf onder het toeziend oog van de weesvader.

Het eetgerei bestaande uit diepe borden en ijzeren vorken en lepels werd, nadat de meisjes de afwas hadden gedaan, in de kasten opgeborgen. Aan de geestelijke- of godsdienstlelijke opvoeding werd evenveel aandacht gegeven als aan de lichamelijke.

In hoever daar instructies bestonden voor de weesvader en –moeder was de wezen niet bekend. Maar dat hier orde en regels in acht genomen werden is duidelijk, vooral op zondag en kerkelijke feestdagen. Keurig in de rij staand op de grote binnenplaats werd door één van de jongens of meisjes een formuliergebed opgezegd waarna de groep gesplitst werd volgens de godsdienst van de vroegere huishouding. Een deel ging dan met de weesmoeder voorop en de weesvader achteraan naar de hervormde kerk en de anderen van de zogenaamde kleine kerk togen zonder leiding, maar ook in volslagen orde naar hun kerk.

Van dwang was geheel geen sprake maar de wezen namen het als vanzelfsprekend aan, dat zij geregeld naar de kerk gingen. Ook op ander gebied moest er orde en regel zijn, dan kon ook niet anders met zo’n gemengd gezelschap. Zo was het bijvoorbeeld ook  met het vraagleren, het zangkoor of de jonge mannenvereniging.

Men was er heel vrij in… maar als men ging dan ook elke keer trouw, datzelfde gold ook voor het bezoeken van de avondschool, of, zoals in het geval van de heer Walthuis, het volgen van tekenlessen en bouwkundig onderricht. Gelegenheid tot het volgen van moeilijker onderwijs bijvoorbeeld de zogenaamde Franse school in Workum of de H.B.S. in Sneek was niet mogelijk ook al hadden de kinderen daartoe de capaciteiten.

Toch kon men de “vader’’ of  “moeder” niets verwijten. Wie zelf niet gezegend waren met kinderen pasten over het algemeen goed op de weeskinderen.
 

strafijzer meisjes

strafmuts jongens

offerblok

stoel weesmoeder

muts

Bij het groot brengen van de kinderen moest er wel eens gestraft worden. Als straf werd dan een huisarrest toegepast op de zondagmiddag. Over het algemeen werd op een redelijke wijze gestraft maar of het altijd rechtvaardig was valt, volgens de heer Walthuis, te betwijfelen. Zo werd hij een keer veroordeeld om voor de Hoge Raad ( dit is de bijeenkomst van de regenten ) te verschijnen. Één van de regenten die hem bestraffend toebrulde, zei o.a.: “ jonge man, bedenk dat er in de Heilige Schrift staat: het is beter onrecht te lijden dan onrecht te doen”. In verband met dit voorval zei de heer Walthuis: “Ik ben nog altijd dankbaar, dat de Heilige Schrift voor mij niets aan waarde verloren heeft door zulk een onwaardig gebruik ervan om een weeskind die geen andere menselijke helper had, op zo’n wijze op de knieën te krijgen.

Nee, wat dat betreft ging het er in vroegere tijden anders aan toe met straffen. Verschillende werktuigen die erbij gebruikt werden zijn nog lang in het weeshuis bewaard zonder dat ze later gebruikt werden.

Toch is er ook uit die tijd bij overlevering nog het een en ander over de wijze van straffen bekend.

In de 19e  eeuw kwamen lijfstraffen nog wel voorin het weeshuis. Één van de “martelwerktuigen” was een voetplank met scherpe uitsteeksels. Verder was er de karwats, dat was een stok met riemen van leer die een dik uiteinde hadden. Later werden de kinderen nog wel eens bang gemaakt maar daar bleef het dan bij.

 

 

Bekend zijn de ijzeren oorijzers en narrenmutsen als strafmiddelen maar ook die werden al lang niet meer gebruikt. De straf voor het bedplassen was met het witte laken de tuin in het rond lopen totdat het droog was.

Later werd dit zelden meer toegepast. Een vroegere weesvader, een oud koloniaal, strafte de ondeugende kinderen niet alleen met lijfstraffen maar hield ook de verdiensten in. Het zakgeld van zulke wezen – wekelijks een stuiver tot een kwartje  werd dan door de vader in drank omgezet en opgedronken. Het betekende voor de gestrafte wezen een heel verlies omdat dit verplichte minimale spaargeld het enige kapitaal was dat men bij het verlaten van het weeshuis mee kon nemen. Het zakgeld mochten ze zondagsmiddags wel bij zich hebben maar niet uitgeven. Wat een verantwoordelijkheid! ’s Avonds moest het weer ingeleverd worden. Tot 12 jaar kregen de wezen een stuiver per week, tot 14 jaar een dubbeltje, van 14-18 jaar werd dat 2 twee dubbeltjes en tot twintig jaar een kwartje. Zo was het mogelijk met een heel klein kapitaal het weeshuis te verlaten. Daar bij kwam een erfenis van een Workumer notabel, waar de wezen van mochten profiteren. Zo gingen de wezen dan, twintig jaar oud, de grote mensenmaatschappij in. Behalve het zakgeld mochten zij ook hun goed voorziene klerenkast meenemen. Voor de heer Walthuis kwam er nog een royale timmerkist bij. Later blijft het goede het langst in de herinnering. Volgens de zegswijze: ‘’ as de roede fan ’t gat is, is it slaen forgetten’’. ( als de roe het achterwerk niet meer raakt, is het slaan vergeten). Oude milde beelden komen weer boven. Zoals op de prachtige zomeravonden de weeskinderen in de grote tuin waar met begeleiding van een muziekinstrument het ene lied na het andere werd gezongen. Aandachtig luisterde het publiek aan het panwurk waar de weeshuissteeg naartoe liep. Dan werd vaak gehoord: ‘’ wat zingen die weeskinderen mooi!’’.

 

Workumer. Hij schreef mij daarin dat hij als weesjongen in het Workumer weeshuis had gewoond. Hij ging in zijn brief wat dieper in op de wijze van straffen in deze inrichting ( ik had daar n.l. ook over geschreven).

Eén van de mooie dingen waar de weeskinderen met plezier op terug konden zien was de Hardzeildag. Dan werd er met Jabik en Margje een zeiltocht gemaakt op de prachtige Friese meren. Een andere hoogtijdag was Sinterklaas. Dan zorgden gulle mensen, die wat voor de wezen over hadden, er voor dat er in het Weeshuis een prachtig feest gevierd kon worden. Elke verjaardag van de weeshuisbewoners was een groot feest. Op zo’n dag werd er getrakteerd op lekkere Friese koek. Behalve deze blijde aandenkens waren er ook droevige. De heer Walthuis verloor in die tijd zijn broertje en later een goede vriend. ( Johannes van der Meulen ). Er werd toch wel goed op de wezen gepast. Zo hadden de plaatselijke dokters, elk op zijn beurt een jaar lang, toezicht op de gezondheid van de wezen. Wat de verzorging met etenswaar betreft: het ging er allemaal heel eerlijk aan toe. Alle bakkers, slagers en kruideniers kregen, elk op zijn tijd, de gunst ( levering van goederen). Datzelfde gold ook voor de leveranties van brandstof, ook voor het maken van de kleren – toen verschillend  naaiwerk – en van schoenen. Zulke leveranties waren nog al belangrijk en daarom moest er toezicht zijn op de kwaliteit en de prijs.

Dat werd gedaan door de weesvader in overleg met de regenten en de boekhouder. Behalve het voedsel wat aangekocht moest worden, leverde de weeshuistuin heel wat groente. Daarvan werd vooral tegen de winter heel wat opgeslagen in de voorraadkelder. Er werd zuurkool, zoute boontjes en snijbonen ingelegd. Bovendien stonden er vaten met pekelvlees. In de grote schoorsteen boven de keuken hingen twee of drie zijden spek.

De bovenkleding van de wezen – ik bedoel dan de zondagse kleding – was altijd donkerblauw en precies gelijk aan dat van andere kinderen en had dus niets van een uniform. Dat was wel het geval met de pet die wel wat leek op die van tegenwoordige spooremployés (1969), maar dan in het donkerblauw met lichtblauwe rand.

De meisjes waren in het zwart, een soort blouse, zwarte rok en donkerblauwe omslagdoek. Als ze 14 jaar waren, kregen ze een smal zilveren oorijzer met de bekende kantmuts, die door de week en onder het werk werd vervangen door een gebreide muts. Deze aparte weeshuisdracht raakte hoe langer hoe meer in onbruik. En de laatste kinderen ( 1908-1914) droegen deze kleren niet meer. Zowel de jongens als de meisjes droegen maatschoenen van leer. De jongens hadden ook pantoffels met riemen of klompen voor het werk.

De meisjes droegen zogenaamde sloffen, feitelijke dingen van maat. Het aantal wezen dat in 1897 nog 18 jaar was, werd langzamerhand minder met gevolg dat het weeshuis in 1915 zijn functie verloor.

Tot zover de herinneringen van de heer Walthuis. Wij weten dat de lange en nieuwsgierige geschiedenis een paar jaar geleden definitief is afgesloten. Naar aanleiding van bovenstaande herinneringen kreeg ik een brief uit Sneek van mevrouw Hendriks-Hoedemaker. Zij schrijft mij dat zij in 1909 in het weeshuis is gekomen.

Nadat zij in het laatst van 1914 de leeftijd van 18 jaar had bereikt heeft  zij in mei 1915 het weeshuis verlaten.

Het zakgeld van de meisjes was helemaal een zuinige boel, eerst een stuiver, later werd dat een dubbeltje.

Van de familie kregen zij met verjaardagen wel wat extra’s of op andere  feestelijke dagen. Zoals gezegd ging het met het straffen

Al heel wat minder hardhandig dan in het verleden. De karwats, zo vertelt mevr. Hendriks, gebruikten ze alleen nog maar voor het kloppen van de bedden.

 

 De belevenis van Doede van der Meulen in  het weeshuis te Workum.

 

Geboorteakte Workum, 1895

Aangiftedatum 31 oktober 1895, akte nr. 113

Doede Jeep van der Meulen, geboren 30 oktober 1895

Zoon van Sybren van der Meulen en Ietske de Vries

 

 

Overlijdensakte Workum, 1901

Aangiftedatum 18 juli 1901, akte nr. 28

Sybren van der Meulen, man, overleden 17 juli 1901

Oud 53 jaar, gehuwd

 

Overlijdensakte Workum, 1904

Aangiftedatum 11 oktober 1904, akte nr. 44

Jetske de Vries, vrouw, overleden 10 oktober 1904

Oud 47 jaar, weduwe

 

Op 1 mei 1915 heeft de laatste wees het stadsburgerweeshuis in Workum verlaten. Dat was een meisje, dat al lang niet meer In de stad woont. Een klein jaar er voor had Doede Jeep van der Meulen het weeshuis verlaten; hij was bloemist in Workum en de laatste Workumer, die in het tehuis is opgegroeid.

Van de 67 jaar, die- hij oud is, heeft hij tien jaar in het weeshuis doorgebracht. Hij verbleef er met nog acht jongens en meisjes,, waaruit duidelijk blijkt, dat het tehuis in zijn jeugd lang niet weer zo noodzakelijk was als bij de stichting, want toen werd bet opgezet voor veertig weeskinderen. De heer Van der Meulen denkt met grote dankbaarheid terug aan de vader en moeder van het weeshuis, Meindert de Boer en zijn echtgenote. Het echtpaar De Boer paste inderdaad als vader en moeder op de weeskinderen. Daarom zeiden de kinderen van de familie Van der Meulen later ook ,pake en beppe" tegen hen.

De heer Van der Meulen is dus dankbaar, al heeft hij het altijd als een groot gemis gevoeld, dat hij niet in een normaal gezin is opgegroeid. De reglementen van het huis brachten mee, dat zij dadelijk uit school thuis moesten komen. Zij speelden dan veilig in de grote weeshuistuin. Het was natuurlijk om die veiligheid begonnen, maar dit betekende meteen, dat de wezen altijd in afgeslotenheid en nooit met andere kinderen speelden. Dat gaf ondanks de sterke onderlinge band tussen de weeskinderen toch een gevoel van vereenzaming. Ook de uniforme kleding, al was het dan geen uniform werkte het gevoel van “buitenbeentje’’ te zijn in de hand. Het gevolg is geweest, zegt de heer Van der Meulen, dat ik nog al lang werk heb gehad om mij volledig thuis te voelen in de gewone maatschappij. ‘’Maar dat kan natuurlijk ook aan mij hebben gelegen’’


         rekening doodskist

 
 Weeshuis had het monopolie van lijkkistmakenTot de inkomsten van het stadsburgerweeshuis in Workum heeft tot diep in de 19e eeuw de winst bestaan,
gediend die voortvloeide uit het maken van doodvaten, lijkkisten dus. Het weeshuis had daar het monopoly op..

In het Workumer weeshuis zijn aan de buitenkant een weesjongen en – meisje vereeuwigd, maar in het huis zelf wonen al sinds 48 jaar geen wezen meer.
Niet dat ze er niet meer zijn -, al zijn er minder wezen dan vroeger, toen de levenskansen van de mensen (ouders) kleiner waren -, maar de ouderloze kinderen vinden tegenwoordig doorgaans
plaats in gezinnen. Het Workumer weeshuis heeft daardoor geen andere taak meer dan het ,administreren' van de bezittingen. Dat is niet veel en ook nooit veel geweest, getuige het feit, dat de inkomsten in 1866 werden geraamd op f 296 uit huren, f 43,25 uit eeuwige rente, f 632,70 uit renten en f 151.90 uit effectenbezit.

 

In het Workumer weeshuis zijn aan de buitenkant een weesjongen en – meisje vereeuwigd, maar in het huis zelf wonen al sinds 48 jaar geen wezen meer.
Niet dat ze er niet meer zijn -, al zijn er minder wezen dan vroeger, toen de levenskansen van de mensen (ouders) kleiner waren -, maar de ouderloze kinderen vinden tegenwoordig doorgaans
plaats in gezinnen. Het Workumer weeshuis heeft daardoor geen andere taak meer dan het ,administreren' van de bezittingen. Dat is niet veel en ook nooit veel geweest, getuige het feit, dat de inkomsten in 1866 werden geraamd op f 296 uit huren, f 43,25 uit eeuwige rente, f 632,70 uit renten en f 151.90 uit effectenbezit.
 


 

 

Het menu

Zondagmiddag: Rijst of gerst met krenten, rozijnen of

pruimen

Zondagavond: Karnemelk met gepelde gerst, maar eens in

de 4 weken zoetemelk

Maandagmiddag: Grauwe erwten met braadvet

Maandagavond: Karnemelk met grutten

Dinsdagmiddag: Vlees of spek met peen of zoete appelen

Dinsdagavond: Karnemelk met meel

Woensdagmiddag: Witte kool, rode kool of zuurkool

Woensdagavond: Karnemelk met grutten

Donderdagmiddag: Gruttenmeel met boter en stroop

Donderdagavond: Karnemelk met rijst

Vrijdagmiddag: Vlees of spek met aardappelen of erwten

Vrijdagavond: Karnemelk met gepelde gerst

Zaterdagmiddag: Snijbonen met witte bonen

Zaterdagavond: Karnemelk met grutten

In veel weeshuizen hadden ze een lijst waar voor een heel jaar alle maaltijden op stonden.

Dit is
de voedingslijst van het Heilige Geesthuis in Delft uit 1774

 

Hieronder zie je een rekening uit 1870 van spullen die het weeshuis toen heeft gekocht. Het is een rekening. Prijzen zijn in guldens

 

1 ons koffie fl 0,12

een kwart pond thee fl 0,35

nachtpitjes fl 0,12

bedstroo fl 0,20

uijen fl 0,25

een half pond zuiker fl 0,05

1 bezem fl 0,05

1 pond spek fl 0,44

30 kg zeep fl 22,00

 

 

 

 De kleren van de kinderen

In 1818 moesten kinderen die in het weeshuis kwamen de volgende

spullen meebrengen: 2 nieuwe hemden, 2 paar kousen,

1 paar nieuwe schoenen, 1 paar klompen en een tinnen lepel.

Jongens hadden verder nodig: 1 nieuwe hoed, 2 halsdoeken, 1

zakdoek, 1 baaitje (een jasje van wollen stof) en 2 onderbroeken.

Meisjes moesten meebrengen: 1 floddermuts, 2 tipmutsen, 3

halsdoeken, 2 jakken (jasjes), 2 borstrokken (een warm onderhemd

met korte mouwtjes),

2 boezelaars (schorten) en 3 rokken, waarvan 1 geschikt voor

de zondag.

 

 

 

 

 

 

 

 



Bronnen:
Friso
Leeuwarder courant
Warkums Erfskip
 

 


ThuisHandelHistorieUit de FrisoContact en toevoegingenFoto's WorkumVerhalenGeschiedenis